8 juli 2020
Artikel

Studenten en Intellectuele Eigendomsrechten: geen afstand bij aanvang studie

In januari 2020 schreven wij over het door NOS uitgevoerde onderzoek naar het eigenaarschap op uitvindingen gedaan door studenten tijdens hun studie. Wij gingen daar in op de vraag aan wie de uitvinding toe kan komen.

Het onderwerp heeft aandacht gekregen in diverse media. Hierin kwam onder meer aan de orde dat de TU Eindhoven (TU/e) studenten bij aanvang van hun studie afstand liet doen van aanspraken op (octrooiaanvragen op) uitvindingen gedaan tijdens de studie. Het onderwerp liet ook de Tweede Kamer niet onberoerd. Op 4 juni 2020 is een motie aangenomen die de regering verzoekt te borgen dat de toegankelijkheid en kwaliteit van onderwijsaanbod niet afhangt van het al dan niet afstaan van intellectueel eigendom. Tevens is de regering verzocht om samen met de VNSU (de Nederlandse vereniging van universiteiten) en Dutch Student Entrepeneurship (een samenwerkingsverband van verschillende studenten ondernemingsverenigingen) per september 2020 te komen met een richtlijn met eenduidige en transparante regels op dat vlak.

In reactie op het NOS-onderzoek liet de TU/e weten dat zij met de afstandsverklaring sterker staat tegenover samenwerkende partijen, zoals Philips en ASML. Zij heeft inmiddels laten weten bij inschrijving de studenten niet langer afstand te laten doen. Het is echter de vraag of dit betekent dat de aanspraak op een vinding weer bij de student ligt, en aldus verheldering biedt over wie de aanspraak toekomt en/of een verbetering oplevert voor de positie van de student; de aangekondigde richtlijn is dan ook gewenst. Vooruitlopend op de komst van de richtlijn plaatsen we een aantal opmerkingen over dit onderwerp.

Kerntaken kennisinstellingen
De drie kerntaken van de kennisinstellingen bestaan uit het geven van onderwijs, het doen van onderzoek en valorisatie. Dit laatste gaat over de maatschappelijke en economische benutting van kennis vergaard door of met de kennisinstelling. Dit kan op verschillende manieren.

Het benutten van kennis gaat onder andere over het gebruik van onderzoeksresultaten in onderwijs, het uitvoeren van onderzoeksprojecten op verzoek van overheden of het bedrijfsleven en/of het verzorgen van lezingen door professoren. De rol van Kennisinstellingen op dit vlak is dan ook van grote maatschappelijke waarde, o.a. ook omdat het bijdraagt aan de positie van Nederland als kenniseconomie waar hoogwaardig onderwijs en innovatie hand in hand gaan.

Het benutten van de kennis kan ook betrekking hebben op het vestigen van intellectuele eigendomsrechten (IER), zoals octrooien, op uitvindingen Het gaat dan vooral om uitvindingen die zijn gedaan in het kader van onderzoek door of met de kennisinstelling. Doel is enerzijds het (laten) opleveren van baten door deze IER en anderzijds het verder laten ontwikkelen van de kennis in een commerciële setting. Het is immers niet de bedoeling dat voor het vestigen van een octrooi alleen kosten gemaakt worden en een octrooi vervolgens op de plank blijft liggen.

De valorisatie-centra van de kennisinstellingen spelen hierbij een belangrijke rol, omdat ze het proces van verdere benutting van de IER en knowhow kennen en begeleiden. Komt er bijvoorbeeld een spin-off of volgt een samenwerking met een bestaande onderneming, dan moet dit goed geregeld worden vanuit de kennisinstelling, samen met de betrokken onderzoekers/ uitvinders en de (te starten) onderneming en/of investeerders.

Aanspraak op (octrooiaanvragen op) een uitvinding
De kennisinstelling is dus niet gelijk te stellen aan een commerciële partij met een winstoogmerk. Het hanteren van een dergelijk argument om te betogen dat niet een kennisinstelling maar de student cq. individuele uitvinder, aanspraak moet krijgen op IER is dan ook te kort door de bocht, omdat de maatschappelijke rol van de kennisinstellingen in die redenering buiten beschouwing blijft.

Een relevant punt is in dit verband is dat in geval van een uitvinding die volgt uit onderzoekswerk door een student verricht in het kader van een stage, het wettelijk is geregeld dat de aanspraak toekomt aan de stage-verlener. De partij waarvoor de (stage)-arbeid is verricht verkrijgt de aanspraak en een latere overdracht is niet nodig. In het geval van een uitvinding gedaan door een student in de context van zijn/haar werk als werknemer van de kennisinstelling, komt de aanspraak toe aan de kennisinstelling. De wet regelt (nog) niets over vindingen gedaan in het kader van onderzoekswerk door een student binnen een project van de kennisinstelling buiten de hiervoor bedoelde stage/of arbeidsrelatie. Eenzelfde opvatting als voor vindingen gedaan in de context van zijn/haar werk als werknemer van de kennisinstelling zou hier toegepast kunnen worden. Het gaat immers om onderzoekswerk verricht ten gunste van een kennisinstelling in het kader van diens maatschappelijke taak. Het verkrijgen van een individueel of gedeeld recht zou dan niet passend zijn. Zonder wettelijke bepalingen, zal de toewijzing van de aanspraak aan de kennisinstelling dan wel voor aanvang van de werkzaamheden geregeld moeten worden.

Een dergelijke regeling geeft de kennisinstelling zekerheid over het eigenaarschap. Dit stelt de kennisinstelling in staat de valorisatietaak uit te voeren zonder risico dat een ongekende partij, zoals een student, zich later kan mengen in die uitvoering. Ze staat dan inderdaad sterker tegenover de partij waarmee ze samen wenst te werken. Het afstand laten doen van enige aanspraak, zoals de TU/e voorheen deed, voorkwam aldus bij voorbaat een potentiele discussie. In de toekomst zal het voor de TU/e zinvol zijn voorafgaand aan een project duidelijke afspraken te maken.

Individuele aanspraak
Er zijn situaties denkbaar waarbij een uitvinding is gedaan buiten de hierboven geschetste kaders en een individuele aanspraak aan de orde en passend is, bijvoorbeeld wanneer een vinding geen verband houdt met enige deelname in een onderzoeksproject. Het is dan zeker zinvol wanneer studenten worden voorzien van juridisch advies over de manier waarop ze het beste met hun uitvinding kunnen omgaan. De kenniscentra zouden hier mogelijk een rol in kunnen vervullen. Het zelfstandig valoriseren van een uitvinding is immers geen sinecure. Er zal o.a. oog moeten zijn voor het bewaren van de vertrouwelijkheid voorafgaand aan een octrooiaanvrage. Bovendien gaan bij het doen van een aanvrage en commercialisatie de kosten vaak voor de baat uit. Hier wordt invulling aan gegeven door de kennisinstelling (via de valorisatie-centra) indien aan hen de aanspraak toekomt; het werken met geheimhoudingsverklaringen (zogenaamde NDA’s), het (voor)financieren van octrooiaanvragen etc. valt daaronder. Mogelijk kan de richtlijn voorzien in regels over de situatie waarin een student het om die redenen wenselijk acht diens individuele aanspraak te doen toekomen aan de kennisinstelling.

Wenselijkheid richtlijn
Het zal welkom zijn wanneer de aangekondigde richtlijn aandacht heeft voor zowel de belangen en positie van de individuele student-uitvinder, als die van kennisinstellingen en diens te vervullen maatschappelijk taak. Zo weten partijen waar ze aan toe zijn als uitvinderswerk aan de orde is en welke keuzes (voor- of achteraf) over aanspraak en eigenaarschap mogelijk en/of aanbevolen zijn. We kijken uit naar de komst van de richtlijn.

Terug