17 januari 2020
Nieuws

Intellectueel eigendom op studieprojecten: wie heeft er recht op?

NOS heeft recent een onderzoek uitgevoerd, waarin zij in gesprek ging met meer dan zeventig technische studenten en andere betrokkenen van technische universiteiten. Zij spraken daarbij over het eigenaarschap van de uitvindingen die tijdens de studieperiode worden ontwikkeld. Nu is het in de praktijk al vaak lastig om te bepalen wie de eigenaar is van intellectuele eigendomsrechten (en eventuele andere aanspraken) op een uitvinding. In deze situatie ligt dat kennelijk nog gecompliceerder. Dus: wie is nou de eigenaar van een uitvinding die tijdens de studieperiode wordt ontwikkeld?

Allereerst geldt dat er op (het product of werkwijze van) een uitvinding verschillende intellectuele eigendomsrechten kunnen rusten. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van auteursrecht, databankenrecht en/of modelrecht, maar kan de uitvinding an sich ook in aanmerking komen voor bescherming door het octrooirecht. Het gevolg is dat er een octrooi - een octrooi is hetzelfde als een patent - op de uitvinding kan worden aangevraagd. Vanwege de technische achtergrond van de studierichtingen op de technische universiteiten, voert de aanspraak op het octrooirecht bij technische universiteiten dan ook de boventoon in de gesprekken tussen de universiteit en de studenten.

De Nederlandse Rijksoctrooiwet (ROW) gaat, net als het Europees Octrooiverdrag (EOV), uit van het uitgangspunt dat de aanspraak op een octrooi toekomt aan de aanvrager van een octrooiaanvraag.  Het bedrijf dat of de privé persoon die een octrooiaanvraag indient wordt dus in beginsel beschouwd als de rechthebbende, maar uiteindelijk gaan zowel het ROW als het EOV ervan uit dat de uitvinder, d.w.z. een natuurlijk persoon, de aanspraak heeft op octrooi. Een relatie tussen de uitvinder en de aanvrager kan er echter voor zorgen dat een andere aanvrager dan de uitvinder zelf aanspraak heeft op door deze uitvinder ontwikkelde uitvindingen. Deze situatie kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer een uitvinder in het kader van zijn werknemersrelatie een uitvinding doet. Zo wordt een medewerker op een R&D afdeling bijvoorbeeld via zijn of haar salaris betaald om binnen het dienstverband nieuwe producten te ontwikkelen. Het bedrijf faciliteert daarbij het doen van deze ontwikkelingen, bijvoorbeeld door onderzoeksfaciliteiten beschikbaar te stellen en al dan niet vraagstukken te formuleren.

De vraag wie nou de eigenaar is van een uitvinding die tijdens de studieperiode wordt ontwikkeld hangt af van hoe de relatie tussen de specifieke student en de betreffende aanvrager is. Er kan daarbij bijvoorbeeld worden gedacht aan een bedrijf of een universiteit die een afstudeerplek aanbiedt. Hierbij zijn echter vele “smaken” denkbaar, variërend van een student die een geheel eigen idee in hoge mate van zelfstandigheid als (afstudeer)project uitwerkt, tot een student die binnen een R&D afdeling van een bestaand bedrijf zijn of haar project uitvoert.

Richtlijn
De vraag wie de eigenaar is van een uitvinding, is dan ook niet eenduidig te beantwoorden en is van verschillende factoren afhankelijk. Toch is er mogelijk wel een verhelderende wind op komst. De NOS meldt namelijk in haar artikel dat de overkoepelende studentenorganisatie VSNU bezig is met het opstellen van een uniforme richtlijn voor technische universiteiten in het kader van dit onderwerp. Het uitgangspunt moet daarbij zijn: uniformiteit in een regeling die zowel voor universiteiten als studenten duidelijkheid biedt. Wordt dus vervolgd.

Terug