24 november 2016
Artikel, Nieuws

What’s in a name? Proceskostenveroordeling zonder proces

Procespartijen proberen vaak een IE-smaakje te geven aan hun geschil. De volledige proceskostenveroordeling is namelijk een van de zaken die het intellectuele eigendomsrecht onderscheidt van het algemeen civiel recht. De in het gelijk gestelde partij kan haar volledige gemaakte kosten vergoed krijgen van de wederpartij. Recent heeft de Hoge Raad de toepassing van de volledige proceskostenveroordeling zo ver uitgebreid dat de term proceskostenveroordeling niet meer de lading dekt.

Tot een paar maanden geleden was het zo dat als de eisende partij voor de zitting het kort geding introk de gedaagde partij haar juridische kosten niet vergoed kon krijgen. Er was geen grondslag de eisende partij te veroordelen in de kosten die de gedaagde had gemaakt in verband met de voorbereiding van het kort geding. Sterker nog, het Procesreglement bepaalde dat als het kort geding voor de zitting wordt ingetrokken de voorzieningenrechter geen proceskostenveroordeling uitspreekt.
De gedaagde partij belandde van de regen in de drup. Ja, de eisende partij had de vorderingen ingetrokken, maar de gedaagde partij heeft wel kosten gemaakt ter voorbereiding op de zitting. Kosten die ze niet kon verhalen op de eisende partij. Verschillende rechtbanken en gerechtshoven besloten daarom al de regel in het Procesreglement buiten toepassing te laten. De Hoge Raad heeft deze praktijk bevestigd in haar arrest van 3 juni 2016.

Als de eiser aangeeft het kort geding in te trekken kan de gedaagde aan de eiser en de rechtbank mededelen dat het kort geding tóch doorgang moet vinden omdat hij vergoeding vordert van de proceskosten. De termijn die de Hoge Raad hiervoor vaststelt is 14 dagen na de dag waarop aanvankelijk het kort geding zou dienen. De gedaagde kan op grond van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vergoeding vorderen van de gemaakte proceskosten.

Artikel 1019h Rv zegt: (…) “wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.”

Vanuit taalkundig perspectief doet de toepassing van art.1019h Rv op een ingetrokken kort geding vreemd aan. In feite is er geen rechterlijke beslissing, de zaak is nooit bij een gerecht geweest, het woord ‘gerechtskosten’ dekt dan ook niet de lading. Bovendien is er geen ‘in het gelijk gestelde partij’, de rechter heeft immers niet inhoudelijk over de zaak geoordeeld.

Feitelijk gezien is de eisende partij wel als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen. De eisende partij stelt vorderingen in die de rechter niet toewijst omdat het kort geding is ingetrokken. De in het gelijkgestelde partij is daarmee de gedaagde. Deze gedaagde kan dan proceskostenveroordeling vorderen voor de voorbereiding van het kort geding.

Het arrest van de Hoge Raad schept duidelijkheid over wanneer proceskostenveroordeling gevorderd kan worden. Met name in situaties waarin de gedaagde partij vergevorderd is in de voorbereiding van een kort geding dat op het laatste moment wordt ingetrokken, is het moeilijk te verkroppen als de gedaagde niet zijn proceskosten kan vorderen. Doordat er een hogere drempel is om een kort geding procedure te starten wordt forumshopping verhinderd. Wie A zegt moet ook B zeggen. Als de eiser na het dagvaarden besluit het kort geding in te trekken moet hij erop bedacht zijn dat de kosten van de gedaagde in aanmerking komen voor vergoeding.

Terug